De man aarzelde toen hij zijn huis verliet, zoals zelfmoordenaars aarzelen net voordat ze van een dak springen. Hij knoopte zijn dikke jas strakker rond zijn lichaam en trok zijn muts tot over zijn oren. De tijd was gekomen zich weer eens buiten te wagen. Hij had een jaar gerouwd, maar uitgerekend nu, in dit jaargetijde trok hij op pad. De ziekte van zijn vrouw had haar vorige herfst van het leven beroofd. Hij had nog met haar gewandeld door het park; ze had naar de bladeren gekeken die van de bomen vielen en ze vergeleken met haar eigen leven. Dat had hem een brok in zijn keel bezorgd, maar dapper had hij met haar meegedacht: zou ook zij ooit door de wind worden meegenomen? Liefst wilde ze gecremeerd worden en uitgestrooid, vertelde ze hem. Hij moest haar na haar dood toevertrouwen aan de wind, zodat ze net als de bladeren kon vrij zijn, dansen en op avontuur kon trekken, daar waar de wind har zou brengen. Hij ging akkoord en toen ze in oktober stierf, liet hij haar cremeren. Het was ingetogen begrafenis, met veel tranen en weinig woorden. Er was familie aanwezig van haar kant en ook van de zijne, maar de dood sloeg er niet in beide kampen te verbroederen. Er heerste al jaren een rivaliteit die nergens op was gebaseerd, maar die ervoor zorgde dat tijdens de receptie na afloop aan de ene kant van de zaal haar verwanten stonden en aan de andere kant de zijne. Hij liep er zelf druk tussen heen en weer, om zich ervan te vergewissen dat alles naar wens verliep. Ook op dagen dat de dood de overhand heeft, moet alles perfect zijn geregeld. Dat zou ze zo gewild hebben.
Toen hij na afloop alleen naar huis liep, de urn onder de linkerarm geklemd, waaide er een gure wind, die hem angstig maakte, bladeren kronkelden hun baan door de lucht en deden een macabere dodendans Hij kreeg het niet over zijn hart haar nu uit te strooien. Er viel regen die hem tot op zijn hemd doorweekt maakte en toen hij thuiskwam in het lege huis, dat nog steeds rook naar haar dood en stof, voelde hij de neiging zichzelf in het ligbad te verdrinken. Dat was de plek waar zij het leven had gelaten, toen hij even naar de winkel was, omdat hij dacht dat het beter met haar ging. Bij terugkomst trof hij haar dood aan in bad, met haar armen en een deel van haar bovenlichaam over de rand, alsof ze nog een laatste poging had ondernomen er nog uit te klimmen.
Sindsdien kwam hij het oude huis niet meer uit. Eten werd gebracht door zijn broer, die jonger was en meer van de wereld en een nicht van zijn vrouw kwam geregeld langs om hem te helpen met schoonmaken en andere huishoudelijke taken. Beiden drongen ze erop aan dat hij naar buiten ging, frisse neus halen en even uitwaaien, ‘Dat is gezond voor je,’ zei zijn broer, maar over gezondheid had de man niet te klagen. Ziektes zaten niet in de familie, in tegenstelling tot de familie van zijn overleden vrouw, waar een punt was bereikt waarop er meer stierven dan dat er bijkwamen, de levensbalans was volkomen uit evenwicht. Telkens antwoordde de man dat hij blaakte van gezondheid en dat hij uit vrees voor ziekte en de dood, de deur niet meer uit zou gaan; daarvoor was hij te bang. Deze angst bezorgde hem een probleem dat hem wekenlang wakker hield: hij had zijn vrouw beloofd haar as uit te zullen strooien, op een dag dat er veel wind was. De man zette de urn op de eettafel, alsof het een bloemstuk was. Zijn broer vond dat een lugubere plek, maar maakte er vanwege de wankele toestand van de weduwnaar toch maar geen opmerking over. Elke keer als hij langs kwam om te eten, stoorde hij zich aan de urn op de eettafel, maar deze ergernis stond volgens hem in schril contrast met het leed dat zijn broer had overvallen.
Elke dag herinnerde de urn de man aan zijn belofte, maar hij had de moed niet zich buiten te wagen om aan het laatste verzoek van zijn vrouw te voldoen. Hij nam zichzelf voor, omdat hij wist dat de situatie moest veranderen, haar in de herfst uit te strooien, precies een jaar nadat hij haar in bad had gevonden. De symboliek daarvan sprak hem aan, al wist hij niet in hoeverre de symboliek een doel had. De man vertelde aan niemand dat hij zijn huis op die dag wilde verlaten, omdat het dan zo definitief klonk. Hij begon wel heimelijk een en ander voor te bereiden, want de dag dat hij zijn huis zou verlaten, was voor hem de angstigste uit zijn leven en hij wilde niets aan het toeval overlaten. Vandaar dat hij de nicht van zijn gestorven vrouw verzocht een dikke jas te kopen, vele malen dikker dan de jas waarin hij de avond van de crematie naar huis was gelopen. Verder liet hij haar uitleggen hoe hij moest breien. Zijn vrouw had daar erg van gehouden en haast altijd zat ze breiend naast hem op de bank. Het geluid van haar breinaalden die tegen elkaar tikten, werd door de jaren heen voor hem het geluid van hun liefde. Hij genoot zeer van het simpele gegeven dat ze al jaren samen op de bank zaten. Hij las een boek of keek tv terwijl zij lustig breide. Al die jaren had hij zich nooit verdiept in de technische kanten van haar arbeid: hij had geen idee hoe hij moest breien en achteraf speet hem dat zeer. Waarom toonde hij zo weinig interesse in haar werkzaamheden? Nu wilde hij goed maken wat misschien niet meer goedgemaakt kon worden. Hij breide talloze schapenwollen mutsen en zijn breitechniek werd gaandeweg het jaar steeds beter. De nicht van zijn vrouw vroeg: ‘Waarom brei je alleen mutsen? Probeer eens sokken!’ Maar de man was bezig met die ene dag waarop hij aan het verzoek van zijn vrouw zou voldoen. Hij had niet zomaar een muts nodig om zijn angst voor de wind en de kou te bezweren. Nee, de beste muts moest hem daarbij helpen.
In het jaar dat hij in huis bleef, gebeurde er weinig in zijn leven. Iemand die binnen blijft, beleeft zelden hoogtijdagen. Hij had hier geen moeite mee; zijn enige ambitie was zijn vrouw uit te strooien op een winderige dag. Die ambitie zag hij als zijn ultieme levensdoel. Hij was al oud, vond hij zelf. Lichamelijk nog niet versleten, maar sinds de dood van zijn vrouw wel geestelijk verslagen. Hij miste haar meer dan hij had kunnen vermoeden toen ze ziek was. Hij was sterk in die periode, sterker dan hij misschien kon zijn. Achteraf dacht hij dat dat de reden was geweest voor de enorme klap die hij had gekregen na haar crematie. Maar hij moest wel sterk zijn voor zijn vrouw, want hij wilde haar niet het idee geven dat ze hem in de steek liet door te sterven. ‘Ik wil je niet verlaten,’ zei ze op die dag in de herfst toen hij haar voor de laatste keer meenam naar het park. Ze was toen al zozeer verzwakt, dat ze volledig op hem steunde. Hij zoende haar en drukte haar tegen zich aan, terwijl zijn ogen zich vulden met tranen. Hij wilde echter niet dat ze hem zag huilen; sterk moest hij zijn! Toen zij vroeg of hij verdriet had en wees op zijn betraande ogen, gaf hij de schuld aan de bittere koude. Sindsdien herinnerde de kou hem aan zijn vrouw. Daarom verliet hij zijn huis niet meer in de herfst van haar dood en toen de winter kwam, werd hij al helemaal huiverig om naar buiten te gaan. Hij zette de verwarming in zijn woning zo hoog, dat er kloven in zijn lip verschenen van de warmte. In de lente en de zomer bleef hij al volledig ontheemd was aan het matschappelijke leven en de buitenlucht. Zelfs de ramen zette hij niet open. De nicht van zijn vrouw deed dit vaker stiekem, omdat het huis langzaam begon te ruiken naar een geur die ze maar niet thuis kon brengen en die de man niet kon ruiken.
2
De aarzeling om zijn voet over de drempel te zetten, wekte zijn woede, maar ook zijn schaamte op. Nadat hij de muts over zijn oren had getrokken, opende hij de voordeur voor het eerst in een jaar met het idee naar buiten te zullen gaan, in plaats van iemand binnen te laten. De wind trok aan zijn jas, toen hij zijn eerste stappen buitenshuis zette. Het was minder koud dan hij had gevreesd; maar de wind waaide hard, zoals hij had gehoopt. Onder zijn arm klemde hij de urne. De man had vooraf nauwkeurig nagedacht waar hij zijn vrouw aan de wind toe wilde vertrouwen. Hij had lange tijd gedacht dat het park daarvoor de ideale plek was, omdat ze daar de bladeren had zien wegwaaien en het idee bij haar was ontstaan om uitgestrooid te worden. Maar het park vond hij te weinig recht doen aan het vrolijke dat haar leven had gekenmerkt, aan het fijne dat hun liefde had getekend. Hij herinnerde zich buiten de stad een plek waar hij en zijn vrouw vroeger heimelijk kwamen, en waar ze elkaar beter hadden leren kennen. Het was in de buurt van een kasteel. Daar wilde hij heen, ook al was dat meer dan een half uur lopen en lag het plekje bovenop een berg.
Zijn muts paste precies; het bezorgde hem een goed gevoel dat hij erin was geslaagd zich te specialiseren in iets waar zijn vrouw erg van had gehouden. Zijn gevoel was goed die dag, want hij overwon goedgemutst zijn angst om naar buiten te gaan en dat deed hij voor zijn vrouw. Was er een groter teken van zijn liefde? De grilligheid van de natuur zorgde ervoor dat de wind, die al hard waaide, nog meer aanzette tijdens de wandeling van de man. Hij moest veel kracht leggen in zijn passen, want de wind joeg hem tegemoet, alsof hij hem tegen wilde houden. Als zijn muts niet zo goed op maat was gemaakt, was hij wellicht afgewaaid. Onversaagd stapte de man door, met de urne onder zijn linkerarm geklemd, precies zoals op de avond na de crematie. Maar hoe anders waren zijn passen nu! Hij had een richting in zijn leven, een doel. De urne woog als niets, hij vergat zelfs dat hij hem droeg. Hij werd eraan herinnerd toen de wind eenmaal zo woest blies, dat de urn lichtjes onder zijn arm uitschoof. Toen sloeg de angst de man op het hart, maar al snel vergat hij de dreiging, doordat de urn een jaar op zijn eettafel had gestaan, was hij er zo aan gewend, dat hij de aanwezigheid ervan als vanzelfsprekend aannam.
De man raakte, toen hij bijna de plek had bereikt, buiten adem. Zijn krachtige passen waren verdwenen en ervoor in plaats was een haastige ademhaling gekomen die hem een kwetsbaar gevoel gaf. Hij begreep waarom hij zo’n moeite had met de wandeling, over een afstand die hij vroeger rennend af had kunnen leggen. Het afgelopen jaar had hem zijn goede conditie ontnomen. Op basis van zijn grote wil om aan het verzoek van zijn vrouw te voldoen, slaagde de man er desondanks in de plek te bereiken waar hij vroeger vaak met haar was geweest. Het was in de tuin van een bescheiden kasteel dat al decennialang verlaten was, maar toch nog werd onderhouden. De tuin was even fraai als de man zich herinnerde, al stond er vanwege het jaargetijde niets in bloei.
Op het landgoed van het kasteel, moest hij nog zeker een kilometer lopen voordat hij aan zou komen bij de precieze plek die hij voor ogen had. Dat was nog niet alles: hij moet nog talloze treden op, want de plek lag op een berg die niet eens heel hoog was, maar wel steil. Vroeger was hij er een keer in geslaagd zijn vrouw alle treden op te dragen, maar nu kostte het hem zoveel moeite zichzelf omhoog te slepen, met een onrustige ademhaling die hem alle kracht ontnam, dat hij vreesde de top niet te zullen halen. Hij slaagde hierin echter wel en trok, toen hij de laatste paar treden besteeg, zijn muts nogmaals over zijn oren, want op de hoogte waarop hij zich nu bevond, was het kouder dan beneden. Hier was het zo koud als hij vooraf had gevreesd. Ook waaide het harder, maar dat schonk de man slechts voldoening. Hij nam de laatste tree met een gevoel van triomfantelijkheid dat hem voor even zijn concentratie ontnam. Hij gleed uit, maar slaagde erin niet te vallen en in plaats daarvan zijn evenwicht te herstellen. Hij zwaaide hierbij met zijn armen, waardoor de urn, waarvan hij de aanwezigheid alweer was vergeten, op de grond viel. Voordat hij de grond raakte, merkte de man zijn fout op, maar hij kon niets meer doen en zag hoe de urn neer smakte op de grond. Onmiddellijk vloog de as, dat een jaar gevangen had gezeten, mee op de wind. De wind blies het in de richting van het bos dat aan het kasteel grensde en de man keek het na, totdat het was vervlogen. Toen staarde hij naar de scherven van de urn, waarvan de kleinste scherven ook door de wind mee werden genomen. In dezelfde richting als de as was verdwenen. De man die de kou nu meer dan ooit voelde, dacht niet meer na. Hij nam een aanloop en sprong, zonder enige aarzeling, in de richting van waar de wind hem leiden zo, zijn grote liefde achterna.
donderdag 9 juli 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten